maandag 6 oktober 2008

SARA 9 Met hart en ziel

SARA


Met hart en ziel

Als Sara iets doet, dan doet ze dat altijd met hart en ziel. Ze kan geen spelletje voor de lol doen, maar wil altijd winnen. Als ze naar haar oma gaat, dan neemt ze niet een klein bosje bloemen mee, maar een hele grote mooie bos. Als ze stage loopt in een tehuis voor gehandicapte kinderen dan is er niets belangrijker dan deze kinderen. Zo is ze nu eenmaal. Het gaat meestal goed, maar dreigt nu uit de hand te lopen met zingen. Vorig jaar werd ze lid van een musicalkoor. Naast drie repetities per week is ze ook verder ongeveer de hele tijd bezig met zingen. Ze oefent op haar kamer eindeloos de liedjes, bekijkt video”s en doet de danspasjes na. Verder heeft ze haar ouders gevraagd om individueel zangles te mogen nemen en om regelmatig musicals te gaan bekijken. Vorige week had ze een mentorgesprek. De mentor had aan haar gevraagd hoe het ging. Het was hem opgevallen dat ze niet erg met haar hoofd bij school was en dat ze weinig samen met vriendinnen deed. Ze vertelde dat ze zong en danste en dat dat het belangrijkste was. Toen hij vroeg wat er ook belangrijk was in haar leven noemde ze meteen vriendinnen en haar ouders en haar oma niet te vergeten en schoolfeesten en gym en naar de bios gaan. De mentor had verder niet zoveel gezegd, maar toen ze wegliep dacht ze er wel over na. Moest ze nou alles in haar leven op musical en zingen gooien of ook tijd maken voor andere dingen en andere mensen? “Musical is mijn hartstocht” had ze tegen de mentor verteld. Nu bedacht ze dat er op de tocht van haar hart ook anderen waren. “Toch weer eens kijken, wat ik nou echt belangrijk vind. Ik ga een ster worden, maar ga ik daar grenzeloos voor?”

SARA 8 De rode ballon

SARA

De rode ballon


Meestal kan Sara zich haar dromen nog precies herinneren, maar ze vertelt ze nooit. “Vindt u het niet gek?” vraagt ze na de les aan haar mentor, “dat ik mijn droom van vannacht vertel. Weet u nog dat ik vorige keer vertelde dat ik me zorgen maak over mijn broer, die in de stad woont, gokverslaafd is en af en toe geld steelt; en dat de sfeer in huis te snijden is als hij er is”. “Vertel maar”, zegt de mentor.

“In mijn droom wil ik naar mijn broer gaan, maar neem de verkeerde trein; ik loop van het station naar de haven en sluip over een loopplank aan boord van een schip. Ik ga op een verborgen plek op het dek zitten. Doodsbang ben ik als het midden op zee begint te stormen. Dan vinden twee matrozen me en beginnen in een vreemde taal op me te schelden. Ik ben zo bang, dat ik overboord wil springen in de golven. Er landt een grote rode luchtballon met een mandje eronder op het dek tussen mij en de mannen. Ik stap in en de ballon vliegt met mij de lucht in. Terwijl ik daar vlieg, schreeuw ik tegen de wind in:“Als u bestaat, maak dat mijn broer niet meer gokt en niet meer steelt en dat er geen ruzie meer thuis is”. Er komt geen antwoord. Dan word ik wakker. Ik ben naar school gegaan vanmorgen, maar ik weet dat ik naar mijn broer moet gaan en hem zeggen dat hij ermee moet stoppen. Mag ik na de pauze weg, dan ga ik naar hem toe”.

De mentor geeft toestemming. Sara gaat naar het station, nu wel op weg naar haar broer. Ze weet zeker dat hij naar haar, en alleen naar haar, zal luisteren.

SARA 7 Kindertehuis

SARA

Het kindertehuis

Een paar weken geleden was er een stageweek op de school van Sara. Iedereen werkte een week in een bedrijf, winkel, ziekenhuis of kantoor. Sara wilde graag iets doen met kinderen en kwam via haar tante in contact met een tehuis voor dubbelgehandicapte kinderen in Antwerpen. Samen met haar klasgenoot Melody schreef ze een brief en een week later hoorden ze dat ze welkom waren. Toen ze aankwamen, schrokken ze beiden van de kinderen die voor een deel niet konden lopen en de hele dag in een soort kooi lagen. Andere kinderen kropen rond en stootten oerwoudgeluiden uit. Zouden ze het hier een week lang redden? Na die eerste indruk gingen ze aan de slag. Ze deden al die dingen waar het overbelaste vaste personeel niet aan toe kwam: de kinderen voorlezen, met ze eten, ze op schoot nemen of heen en weer duwen op de schommel. Na een week was het lastig om afscheid te nemen. Ze merkten hoe ze zich aan de kinderen hadden gehecht.
De volgende maandag deden ze hun presentatie voor de klas: Sara vertelde, dat ze het bijzonder had gevonden om iets te doen voor kinderen met een dubbele handicap. Ze had zich aan de kinderen gehecht en had het lastig gevonden om weg te gaan. Deze week had ze het idee gehad echt iets goeds te doen. Later merkte ze dat klasgenoten over haar roddelden. Ze zeiden dat Sara schijnheilig was: lekker in Antwerpen een stage doen en dan ook nog vinden dat je goed werk doet en zoveel voor zielige kindjes betekent.
Sara praatte er met Melody over op de fiets naar huis. Wat was dat toch met die roddel in de klas? Ze waren heel eerlijk geweest bij hun presentatie en hadden het niet verteld om zichzelf in de lucht te steken. En dan toch…….

CLIMATICUS 3 EQ-coach

De emotioneel intelligente leider.

Ik heb een personal coach sinds een paar weken. Mijn vriendin Thea raadde mij aan om een EQ-coach te nemen. “Met je intelligentie is niets mis, beste Clim, maar op het gebied van emoties heb je nog veel te leren”, sprak ze zorgzaam. Nou heb ik mijn hele leven al iets tegen emoties. Ik kon op school altijd al goed leren, deed twee universitaire studies en ben niet voor niets topmanager op een groot ministerie. Dat alles omdat ik behoorlijk slim ben dus. Tot mijn eigen verbazing pak ik na Thea”s advies de telefoon en bel “Bureau Quintus, voor al uw EQ-vaardigheden”. Tijdens mijn eerste afspraak met Quintus himself, vertelt die me dat we eerst aan mijn boosheid gaan werken, volgens hem een bij mij wat ondergesneeuwde emotie. “Werken aan mijn boosheid, ondergesneeuwd; wat een soft gelul” denk ik, maar zeg ik niet. “Waarom zeg je niet gewoon dat je kwaad op me bent”, zegt Quintus, “je body language heeft dat allang verteld”. Op dat moment besluit ik om een andere coach te zoeken, wat mij betreft weer een rationeel therapeut of iemand die socratische gesprekken met me voert. Ik wil weglopen, maar Quintus verspert me de weg en geeft me met zijn vuist een stevige dreun tegen mijn borst. “Weglopen voor je boosheid, dat patroon ken je maar al te goed; deze keer gaat je dat niet lukken”. Ik sla drie keer stevig terug en merkt hoe me dat oplucht. Dit is een andere vorm van coaching dan ik ooit had. Na boksen is een andere sport aan de beurt. Mijn angercoach nodigt me voor dat weekend uit op de statribune van ADO Den Haag. Ik stribbel tegen, dat ik niet van voetbal houd en bang ben om me tussen het Haags gepeupel te begeven. Op zondagmiddag sta ik, bij een ADO-doelpunt, naast Quintus te springen tussen Haagse arbeiders. Even later scheld ik de scheidsrechter uit, weliswaar met: “u heeft het niet juist gezien”,iets andere taal dan mijn buurmannen dus, maar toch. “Daar heb je Climaticus” hoor ik iemand zeggen en ik herken een jongen van de verzendafdeling van ons ministerie. Dit verhaal zal maandag de ronde doen. Meneer Climaticus is hooligan geworden. Na de wedstrijd loop ik naast mijn personal coach richting mijn mercedes. ”Zo, de eerste stap op weg naar het managen van je anger is gezet; je hebt een beetje van je boosheid geuit. Nu ga je maandag op kantoor verder oefenen. Op wie ben je boos allemaal? Ik noem vier medewerkers en de naam van de minister. Ik krijg van Quintus toestemming om wat met boosheid en met grenzen te experimenteren. Het wordt een heerlijke week. Ik sla in het gesprek met de minister met mijn vuist op tafel en merk wat een prettig gevoel dat is. Hij luistert vervolgens beter dan anders. Ik trek twee vechtende ambtenaren uit elkaar en zet ze in de hoek. De hele afdeling zucht van opluchting; dat was nou precies wat deze mannen nodig hadden. Als ik over de afdeling loop en al mijn mensen aan het werk zie, springen ineens de tranen in mijn ogen. Een secretaresse reikt me een zakdoek aan en zegt:”U wordt toch niet emotioneel, intelligente leider?”

CLIMATICUS 2 (Strooks)

CLIMATICUS 4

Veel heb ik aan de adviezen van mijn goede vriendin Thea. Ze is topambtenaar op VROM en is daar door diverse glazen plafonds heen gestoten. Heeft nog een hoop ravage gegeven daar. Toen ik haar vroeg hoe ik mijn team in beweging houd, gaf ze me de tip om meer strooks te geven. Ik had geen idee wat strooks zijn, voordat Thea me uitlegde dat het een begrip uit de TA is. TA kende ik uitsluitend van het boekje dat in mijn herinnering “Ik ben oké en jij lekker niet” heet, maar dat bleek niet precies te kloppen. Thea vertelde me dat zij door TA een stuk betere leider is geworden. Nieuwsgierig geworden vroeg ik, wat dan strooks wel niet mogen zijn. Er volgde een college, waaruit ik in elk geval oppikte, dat strooks o.a. complimenten zijn en dat ze voor mensen in organisaties van levensbelang zijn. Ik vertelde haar dat ik nooit complimenten geef, omdat ik het vanzelfsprekend vind dat mensen hun werk goed doen en dat ze er goed verzorgd uitzien. Zij gaf me als uitdaging mee om twee weken lang flink te stroken op mijn afdeling. Ik zou zien dat het wonderen deed.
Het werden boeiende weken. Ik begon met het complimenteren van Van Dalen vanwege zijn geinige stropdas. Hij glom van trots en werkte die avond drie uur over. Enthousiast geworden besloot ik juffrouw Ellen de Bruin te stroken vanwege haar leuke oorlelletjes, waar ze altijd van die kleurrijke oorbelletjes in heeft. Die vallen me al heel lang op, maar ik had er nog nooit iets van durven zeggen. Nu mocht het. Ik geef toe dat “Ellen, wat heb je toch een leuke lellen en mooie gekleurde bellen” niet de meest fijnzinnige formulering was, maar het was een gemeende strook. Ze liep ijzig door en meldde zich de volgende dag ziek. Ik besloot Thea te bellen en te vertellen dat ik het experiment ging staken. Zij vond dat ik juist nu door moest gaan. “Fouten zijn leermomenten, Climaticus; complimenteer jezelf dat je het durft”. Zo had ik, perfectionist, er nog niet naar gekeken. Ik strookte die weken dapper door en wisselde strooks op uiterlijk en op capaciteiten, echte strooks, plastic strooks, targetstrooks vrolijk af: “By the way, juffrouw Jansen, leuk jurkje; van de Zeeman?” viel niet slecht. “Peter, ik vind je een fantastische vent; ik wou dat ik je vader was” gaf een gemengde ervaring. Ik zag dat het eerste deel van het compliment goed overkwam, maar dat het tweede deel too much was; alsof ik iets met zijn moeder wilde en hij dat niet zo leuk vond. Ook merkte ik, dat TA-jargon al veel verder in de maatschappij is doorgedrongen dan ik wist. Was ik de enige onwetende in Den Haag? Mijn secretaresses strookten elkaar al jaren, zo zag en hoorde ik. Ik gaf mijn chauffeur een compliment voor zijn rijstijl en kreeg als antwoord: “Dank u wel, meneer Climaticus, voor deze fijne rijstrook”. Toen ik op straat van een Afrikaanse vluchteling een daklozenkrant kocht, zei dat ik het dapper van hem vond om die lange reis hierheen te ondernemen. Reactie: “ Beste meneer, ik vat dit op als een gemeende vluchtstrook”. Gisteren sprak ik Thea en vertelde haar ik meer wilde horen over TA. “We gaan het niet over mij hebben”, zei ze. Jammer, want ik had zo gehoopt op toenadering en de ultieme strook: Een Climati-kus.

Wandelaar 3 Utrecht Galgenwaard

Wandeling op 3 oktober 2008 door Utrecht

Daar hoorden zij engelen zingen

Die dag zou ik de tentoonstelling over engelen bezoeken in het museum in het centrum van Utrecht. Het loopt echter anders. Ik zet mijn auto neer achter de Galgenwaard en loop langs het stadion van de plaatselijke FC. Een hek staat open; schilders zijn bezig het hek te verven. Ik groet hen vriendelijk en loop alsof het de normaalste zaak van de wereld is en ik hier hoor het stadion binnen. Het is volledig verlaten. Ik loop een tribune op aan de lange zijde en ga op een rood stoeltje zitten. Niemand legt me een strobreed in de weg tot zo ver. Ik pak mijn schriftje en pen en begin mijn wedstrijdverslag. De zon schijnt; de grasmat ligt erbij. De wedstrijd, speciaal voor mij, kan beginnen. Laat de spelers maar opkomen…..Precies als ik dat wens, komt er een suppoost, een stevige man in rood-wit jack de hoek om en klimt de tribune op. Hij blijft op een paar meter van me af tussen de tribunestoeltjes staan en vraagt: “Waar bent u van?”. Fascinerende vraag. Mogelijke antwoorden schieten door me heen: “Ik ben van Ajax”, niet slim hier. “Ik ben niet van steen” te cryptisch, “what am I suppoost to answer” te bijdehand. Tot mijn eigen verbazing hoor ik me zeggen: Ik ben journalist en ik maak een reportage over stadions op vrijdagmorgen. Is het goed dat ik hier zit en mijn artikel schrijf. “Uitstekend meneer; ik moest alleen maar even weten of het goed zit allemaal”. Ik antwoord dat ik in elk geval goed zit en geniet van het mooie stadion in de zon. Dat doet de suppoost zichtbaar goed en hij wenst me succes. Na de onderbreking geniet ik verder van zon, grasmat en sfeer van de Galgenwaard. Ik besef hoe ik houd van stadions,zoals je ook van paleizen of kerken kan houden. Toch woonde ik relatief weinig echte wedstrijden bij; veel meer zag ik er op televisie. De herinneringen aan sommige stadions in mijn leven zijn scherp. Als jongetje van 14 liep ik samen met mijn broertje, ook toen al ongezien, het Zuiderparkstadion in na de rust, als suppoosten even niet keken. We hadden geen geld en mochten op zondag geen profsport zien. Maar we zaten er wel, na de rust. Zo zagen we ADO eens met 4-1 winnen van GVAV. Als 17-jarige zag ik een bekerfinale in de Kuip, samen met klasgenoten. Ik beleefde kort erna de gekte van Dundee United-Celtic in Schotland. Ik zag met mijn kinderen Ajax-Panathinaikos in de Arena, met die wereldgoal van Ibrahimovic, waarna we met z’n vieren en met 50.000 anderen “Ajax, Ajax” brulden. Naast het bezoeken van deze wedstrijden stond ik in prachtige, doch lege, stadions in Barcelona en München en kreeg ik een privérondleiding door het stadion van de FC van Dirk Kuyt in Liverpool.
Vandaag, net als toen in Liverpool, ben ik weer onder de indruk van een leeg stadion. Ik zit moederziel alleen tussen 25.000 lege stoeltjes. Het is doodstil. Ik realiseer me dat er vandaag, vrijdagmorgen, veel voordelen zijn boven wedstrijddagen: Geen gebrul en gevloek naast me, geen geur van bier vermengd met rookworst, geen sigarettenrook aan alle kanten, geen spits van Utrecht die mist, geen scheidsrechter die het verkeerd ziet. Straks ga ik naar het museum met die tentoonstelling over engelen, maar nu, voor ik daar ben, kan mijn dag al niet meer stuk. Zachtjes neurie ik voor me uit: “daar hoorden zij engelen zingen”!!

dinsdag 2 september 2008

CLIMATICUS

Mag ik me even voorstellen: Ik ben drs. Climaticus, afdelingsmanager op een ministerie in Den Haag. Mijn carrière liep de afgelopen jaren briljant, mag ik wel zeggen. Ik heb een afdeling van 120 mensen onder me. Ik word altijd uitermate gewaardeerd door de minister en lunch vaak met hem. Helaas moet ik vaststellen dat het de laatste tijd niet zo best met me gaat en dat het alles te maken heeft met de verandering van het klimaat op onze afdeling. Het eerste teken was het ontdooien van juffrouw Jansen, onze topsecretaresse. Deze dame werd altijd gevreesd door de hele afdeling. Als zij iets zei, waagde niemand het om tegen te spreken. Niemand mocht haar bij de voornaam noemen, voor iedereen was ze juffrouw. Altijd strak in het mantelpak, eerlijk doch rechtvaardig. Als we een indianenstam waren zou ik, Climaticus, het opperhoofd zijn en zij de medicijnvrouw. Sinds kort is juffrouw Jansen dus ontdooid: vriendelijk tegen iedereen, spijkerbroek en “ zeg maar Annie”. Dit heeft een sneeuwbaleffect gehad op de afdeling: het klimaat van onze hele club is warmer geworden met alle gevolgen van dien: geen ijstaart meer op de verjaardagen, maar warme chocolademelk met slagroom. Het niveau van de humor stijgt met de dag en dreigt af en toe volledig buiten de oevers te lopen. Kon je vroeger een speld horen vallen in onze kantoortuinen, tegenwoordig klinkt er regelmatig schatergelach. Mensen gaan vriendschappen met elkaar aan; hier en daar wordt gezoend tussen de plantenbakken.
Voor mij is de situatie bedreigend geworden. Ik vraag me af of ik nog wel de juiste manager op de juiste afdeling ben. Mijn coole stijl van leidinggeven wordt niet meer gepikt; ik beheers het klimaat niet meer en ik voel me daar zeer onzeker bij. Onzeker is overigens een woord dat tot voor kort in mijn woordenboek niet voorkwam. Goed moment dus om mijn adviseur in te schakelen. Die gaf me meteen het advies om het hoofd koel te houden, maar wel mijn innerlijke thermostaat aan te passen aan het nieuwe groepsklimaat. Van die goedkope beeldspraak had hij erbij: “De tijd van Elfstedentochten op je afdeling is voorgoed voorbij; ga lekker met je mensen op het warme zand liggen”, zo formuleerde hij het. Dat advies ga ik dus niet opvolgen. Ik ben niet voor niks in korte tijd topmanager op dit ministerie geworden. Ik ga de beuk erin gooien. Ik ga zorgen dat Annie weer juffrouw Jansen gaat heten. Die taartjes gaan weer weg uit de vergaderruimte, de tropische planten gaan weg uit de plantenbakken en de ijsklontjes gaan terug in de cola. We zullen eens even kijken wie hier de baas is.

Met de enorme klimaatverandering op onze afdeling zijn ook mijn ijsbergen gaan verschuiven en voor een deel met veel geraas in zee gestort. Lange tijd had ik het gevoel dat ik alles onder controle had. Mijn afdeling is de meest succesvolle van het hele ministerie. Bij de lunches met de minister krijg ik steeds alle lof en daar ben ik dol op. Als ik in het bejaardentehuis mijn ouders bezoek, vertellen ze me hoe trots ze op me zijn. Mijn appartement op de boulevard van Scheveningen met uitzicht op zee wordt door iedereen bewonderd. Ik, Climaticus, lijk een zondagskind. En toch heb ik al een tijdje, al voor de klimaatverschuiving op mijn afdeling, het gevoel dat het niet meer klopt. Een ander zou dan in therapie gaan; ik besluit in zo’n geval om naar de bioscoop te gaan. Die avond draaide in het Haags filmhuis Into the Wild. Ik had er nog nooit van gehoord, maar was vanaf de eerste minuut verkocht. Dit was een film over mij; alleen deed de hoofdpersoon wat ik wel gewild zou hebben, maar nooit deed. Alexander is cum laude afgestudeerd en is zoon van rijke ouders. Na zijn graduation besluit hij om niet te beginnen aan een ongetwijfeld succesvolle carrière, maar uit de maatschappij te stappen, zijn rugzak te pakken en op reis te gaan. Op zijn avontuurlijke tocht komt hij terecht in Mexico, hij kanoot door de Grand Canyon en hij raakt bijna aan lager wal in downtown Los Angeles. Onderweg ontmoet hij interessante mensen, die ook allemaal op de een of andere manier uit de normale maatschappij gestapt zijn. Dan besluit hij om zich helemaal alleen terug te trekken in de wildernis van Alaska. Hij woont daar in het wrak van een bus en leeft van bessen en dieren die hij zelf schiet en vilt. Het einde kan niet anders zijn dan tragisch.
Als in een roes loop ik de bioscoop uit en strijk op deze prachtige zomeravond neer op een terras. Na deze film kan ik niet meer net doen of er niets aan de hand is. Morgen met mijn driedelig grijs naar de Noordpool gaan liften is niet de stap. Beren villen en opeten in Alaska durf ik niet. Ik ga doen wat ik al heel lang van plan ben en wel lopen van mijn huis in Scheveningen naar mijn geboortehuis in Maastricht om zo die twee belangrijke plekken in mijn leven al wandelend met elkaar te verbinden. Ik ben absoluut geen wandelaar meer, sinds ik de Eend verruilde voor een Bentley. Die staat goed daar in de garage op de Boulevard. Ik ga lopen en reken snel uit dat ik er zo’n 15 dagen over zal doen. De minister en mijn afdeling doen maar even zonder mij. Het klimaat verandert en ik ook. Verantwoordelijkheid neem ik nu even voor mezelf en wat minder voor het ministerie. Ik pak mijn blackberry en mail iedereen: “Climaticus is er even niet; hij verandert”.

Zo in zomerse sferen onderweg en lopend door de heuvels heb ik mooi de tijd om na te denken over mezelf en over mijn eigen leiderschap. Ik voel pas nu ik een paar weken mijn werk achter me heb gelaten hoe moe ik ben. Als ik eerlijk ben heeft dat alles te maken met het feit dat ik altijd maar inspirator ben. Van huis uit heb ik een flinke dosis positiviteit meegekregen. Altijd als ik te maken heb met negativiteit of met passiviteit, dan voel ik hoe mijn energie wegvloeit. Ik laat dan meestal de passievelingen en zeurders van mijn afdeling maar in hun sop gaar koken en richt me op de enthousiaste en positieve leden van het team. Met hen maak ik nieuwe plannen en voer ze met verve uit. De vraag is echter of ik dat zo nog veel langer red. Kan ik nog langer een deel van mijn team links laten liggen?
Op het moment dat ik zo wat loop te somberen over mezelf en leiderschap, ontmoet ik op een breed bospad een man met een rode rugzak en een opvallende hoed. We stellen ons aan elkaar voor en dan vraagt de man zonder verdere inleiding: “wat is je probleem?”, wat toch een merkwaardige openingszin van een gesprek is. Ik vertel hem, geheel tegen mijn gewoonte, over de moeite die ik als leider van een groot team heb met passiviteit en gezeur. Dan zegt hij:“ Weet je, Climaticus, jij lijkt me een geweldige coach voor je topspelers, maar je weet je geen raad met de tribunezitters. Zie hen het speelveld in te krijgen, breng ze in beweging, en wees ook hun coach”. Dan licht hij zijn hoed, groet me en loopt verder, mij verbluft achterlatend.
Dat zinnetje over coach zijn voor tribunezitters laat me de verdere tocht niet los. Ik hoef dus niet zoveel energie te steken in mijn topsporters; die presteren toch wel. De vraag is: Hoe krijg ik minstens de helft van mijn afdeling van hun tribune af, waar ze het met oranje petjes op en veel koffie heel gezellig hebben met elkaar, maar al heel lang weinig meer presteren.
De dag na mijn vakantie is er een vergadering gepland. Als ieder wil gaan zitten achter de bekende lange tafels, vraag ik het hele team om mee te komen`. Samen lopen we de Scheveningseweg af naar het strand en bij de vuurtoren geef ik ieder de opdracht om samen met een collega, in tweetallen, naar Katwijk te lopen met onderweg als enige gespreksthema: “waar loop ik warm voor in mijn werk”. Mijn topsporters zijn al meteen onderweg, maar ik word vreemd aangekeken door de meeste van mijn tribunezitters. “Lopen naar Katwijk, meneer Climaticus; is dat niet wat ver? wat bedoelt u trouwens met warmlopen?”. Drie uur later eten we een vismaaltijd bij strandtent Willy Zuid in Katwijk. Gezichten stralen, haren zijn verwaaid, er is plezier. Zo, ik heb ze in beweging, allemaal; iedereen is van de tribune af en staat in het veld; het begin is er.